Over Amerikaanse pensioenen en de pensioenregelingen
In deze zaak zijn partijen, beiden hebben de Amerikaanse nationaliteit, in 2000 in de Verenigde Staten met elkaar gehuwd. Kort daaropvolgend emigreren zij naar Nederland. Voor de emigratie heeft de vrouw bij drie werkgevers in Amerika in loondienst gewerkt, waarbij zij deelnam aan de pensioenregelingen (401(k)-plans) van die werkgevers. Het grootste deel van het in die pensioenregelingen opgebouwde vermogen is in 1999 ondergebracht in het Vanguard Rollover Individual Retirement Account (IRA). In 2015 scheidden partijen.
De Rechtbank heeft de 401(k)-plans en de IRA aangemerkt als buitenlandse pensioenregelingen in de zin van artikel 1 lid 8 pensioenregelingen en voor recht verklaard dat het pensioen dat de vrouw heeft opgebouwd vanaf de huwelijksdatum tot eind maart 2015, tussen partijen dient te worden verevend.
In appél overweegt het Gerechtshof, na te hebben vastgesteld dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Nederlands recht: ”Bij de beoordeling van de vraag of de buitenlandse regeling voorziet in een pensioen waarop de Wvps van toepassing is (een ouderdomspensioen in de zin van artikel 1 lid 1 sub d Wvps), dienen dezelfde (materiële) criteria te worden gehanteerd als voor een ouderdomspensioen ingevolge een Nederlandse pensioenregeling. Het Hof is van oordeel dat dit met zich meebrengt dat de voorzieningen in de 401(k)-plans en de IRA gelijkwaardig moeten zijn aan, tenminste voldoende gelijkenis moeten vertonen met onder de Wvps vallende Nederlandse ouderdomspensioenen om die voorzieningen te kunnen beschouwen als ouderdomspensioen in de zin van de Wvps”.
Na te hebben onderzocht hoe het pensioenstelsel in de VS eruitziet en hoe de 401(k)-plans en de IRA van de vrouw zich tot dat stelsel verhouden, concludeert het Hof dat deze voorzieningen aan te merken zijn als “pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling” als bedoeld in artikel 1 lid 8 Wvps en bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank.
Hierop gaat de man in cassatie.
Volgens de man heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd bij de beoordeling of de 401(k)-plans en de IRA van de vrouw kunnen worden aangemerkt als een buitenlandse pensioenregeling ex artikel 1 lid 8 Wvps.
De Hoge Raad overweegt als volgt. In artikel 1 lid 8 Wvps is bepaald dat – indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is – de wet ook van toepassing is op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling. Dat leidt ertoe dat bij echtscheiding ook uit een buitenlandse pensioenregeling voortvloeiende pensioenaanspraken – voor zover tijdens het huwelijk opgebouwd – ex artikel 2 Wvps moeten worden verevend. Op grond van artikel 1:94 lid 2 sub b BW maken pensioenrechten waarop de Wvps van toepassing is, geen deel uit van de wettelijke huwelijksgemeenschap.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1 lid 8 Wvps volgt dat deze bepaling is ingevoerd om te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk zouden worden behandeld. De bedoeling van deze bepaling is dan ook te bewerkstelligen dat (voor de toepassing van de Wvps) een buitenlandse pensioenregeling die gelijkwaardig is aan een Nederlandse pensioenregeling, zoveel mogelijk op dezelfde wijze wordt behandeld. Het doel van de Wvps is om ex-echtgenoten de oudedagsvoorzieningen die zij tijdens hun huwelijk door gezamenlijke inspanning hebben opgebouwd, te laten delen, om ieder van hen na pensionering een met die opbouw overeenkomend inkomen te verschaffen.
De Nederlandse pensioenen die onder het toepassingsbereik van de Wvps vallen, zijn omschreven in artikel 1 in de leden 4 tot en met 6. Daarbij gaat het (met uitzondering van de regeling van artikel 1 lid 4 sub i Wvps) om pensioenen gegrond op diverse wettelijke regelingen, waaronder de Pensioenwet (artikel 1 lid 1 sub a Wvps).
Met het ook op het doel van de Wvps en de daarmee strokende ruime omschrijving van het begrip ‘pensioen’, is voor de beantwoording van de vraag of een buitenlandse pensioenregeling gelijkwaardig is aan een Nederlandse pensioenregeling – en daarmee onder het toepassingsbereik van (artikel 1 lid 8 van) de Wvps valt – niet bepalend of de buitenlandse pensioenregeling in alle opzichten voldoet aan de eisen zoals neergelegd in artikel 1 leden 4 tot en met 6 van de Wvps genoemde wettelijke regelingen. Doorslaggevend in dit verband is of de buitenlandse pensioenregeling in de context van het maatschappelijke leven in het desbetreffende land een functie vervult die in voldoende mate overeenstemt met de functie van de Nederlandse pensioenregelingen waarop de Wvps van toepassing is, te weten: oudedagsvoorziening.
Anders dan de man betoogt, is in dit verband dan ook niet bepalend of de 401(k)-plans en de IRA aanspraak geven op een periodieke, levenslange uitkering, waarop een afkoopverbod van toepassing is. Deze vereisten – de bestemmingsgebondenheid – strekken in het stelsel van de Pensioenwet ertoe om in de verhouding tussen werknemers, werkgevers en pensioenuitvoerders uitkering van de aanspraken van de pensioengerechtigden te waarborgen. Pensioenverevening bij scheiding dient echter een ander doel, namelijk: het met het oog op een redelijke oudedagsvoorziening delen van de pensioenrechten die door gezamenlijke inspanning van de huwelijkspartners zijn opgebouwd. Het ontbreken van bestemmingsgebondenheid in een buitenlandse pensioenregeling staat dan ook niet in de weg aan toepasselijkheid van (artikel 1 lid 8 van) de Wvps.
De cassatieberoep wordt door de Hoge Raad verworpen.
De volledige uitspraak is hier na te lezen.