Inkomstenbelasting door verdeling van pensioenrechten en lijfrenteverzekering
Partijen zijn in 1972 in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd, welk huwelijk in 2010 door echtscheiding is ontbonden. Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoren onder andere de echtelijke woning en lijfrentepolissen waarvan de premies aftrekbaar waren voor de inkomstenbelasting. In 2009 hebben partijen een echtscheidingsconvenant ondertekend waarin de woning aan de vrouw is toegedeeld. Verder heeft de vrouw van de lijfrentepolissen 43% ontvangen en 30% van de door partijen opgebouwde pensioenrechten.
Volgens de belastinginspecteur is de vrouw op grond van artikel 3.102 lid 3 Wet IB 2001 inkomstenbelasting verschuldigd voor zover zij minder dan 50% van de waarde van de lijfrentepolissen (7%) en de pensioenrechten (20%) heeft verkregen. Volgens de inspecteur is de vrouw vanwege haar onderbedeling ter zake van de lijfrenten en pensioenrechten gecompenseerd door een overbedeling van andere vermogensbestanddelen, in het bijzonder de voormalige echtelijke woning.
De Rechtbank stelt voor wat betreft de lijfrenten de inspecteur in het gelijk, maar niet ten aanzien van de pensioenrechten, omdat partijen de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) hebben toegepast, in welk geval artikel 3.102 lid 3 Wet IB 2001 niet geldt. De vrouw komt tegen de uitspraak in hoger beroep.
Het Gerechtshof stelt vast dat partijen niet hebben afgezien van de toepassing van de Wvps, maar desondanks zijn overgegaan tot pensioenverrekening, waarbij de vrouw afstand van een deel van haar pensioenaanspraken heeft gedaan, in ruil voor toebedeling van de woning aan haar. Niet gebleken is dat de vrouw daarbij lijfrenten of andere inkomensvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.102 lid 4 Wet IB 2001 heeft verkregen. Het Hof is van oordeel dat partijen feitelijk een situatie hebben gecreëerd waarin de pensioenaanspraken – die civielrechtelijk geen deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap – zijn uitgeruild met een vermogensbestanddeel (de woning) dat daartoe wel heeft behoord. Gelet hierop is de vrouw overgegaan tot pensioenverrekening zoals bedoeld in artikel 3.102 lid 3 sub a Wet IB 2001, omdat feitelijk de uitgangspunten van de Wvps zijn verlaten. Derhalve moet 20% van de pensioenrechten aangemerkt worden als een bij de vrouw te belasten periodieke uitkering.
Verder bestrijdt de vrouw niet het standpunt van de inspecteur en het oordeel van de Rechtbank dat de lijfrenterechten ter grootte van 7% zijn verrekend en dus ook als periodieke uitkering zijn belast, maar dan uit hoofde van artikel 3.102 lid 3 sub b Wet IB 2001. Het hof acht dit correct.
Tenslotte verwerpt het Hof het standpunt van de vrouw dat de inspecteur de verrekening in het jaar 2009 (ondertekening echtscheidingsconvenant) had moeten belasten, in plaats van in 2010. Uit het echtscheidingsconvenant volgt dat partijen pas hieraan zijn gebonden op het moment dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Eerst op dat moment dienen de verbintenissen van partijen te worden afgewikkeld. Omdat de inschrijving van de scheiding in 2010 heeft plaatsgevonden, zijn de uitkeringen in dat jaar belast. Het Gerechtshof vernietigt de beschikking van de Rechtbank en stelt de inspecteur volledig in het gelijk.
Lees hier de uitspraak van het Hof Den Bosch.