Uitleg partnerpensioenbepaling in samenlevingsovereenkomst
Partijen, M en V, hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. In 2009 hebben zij een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten, waarvan artikel 7 luidt: ‘Partijen verklaren elkaar over en weer aan te wijzen als partnerpensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen ingeval de pensioenregeling(en) waaraan partijen deelnemen een partnerpensioen kent (kennen)’.
In maart 2017 beëindigen partijen hun samenleving, waarbij M de gemeenschappelijke woning verlaat.
Partijen dienen in het kader van hun verbroken samenleving over en weer vorderingen in bij de Rechtbank. V vordert onder meer, daarbij verwijzende naar artikel 7 van de samenlevingsovereenkomst, dat de Rechtbank dat ter zake van de pensioenverevening het vonnis in de plaats treedt van de benodigde toestemming van M.
De Rechtbank wijst deze vordering van V af, oordelende dat partijen in hun samenlevingsovereenkomst geen pensioenverevening overeengekomen zijn waarvan V nakoming kan eisen.
Ter zitting hebben partijen verklaard niet langer elkaar aan te willen wijzen als gerechtigde op hun eigen nabestaandenpensioen. Partijen dienen over en weer – voor zover vereist – mee te werken aan een eventuele wijziging van de tenaamstelling bij hun respectievelijke pensioenverzekeraars.
De uitspraak is hier na te lezen.