Man moet opgebouwd pensioen na 24 jaar alsnog delen met zijn ex-vrouw
Partijen zijn in 1977 in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd en in 1996 wordt hun huwelijk door echtscheiding ontbonden.
In 1997 hebben partijen een notariële akte ondertekend, waarin hun ontbonden huwelijksgemeenschap wordt verdeeld. In die akte is de volgende bepaling opgenomen: ‘Partijen zijn voorts overeengekomen dat zij over en weer recht hebben op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het desbetreffende pensioen, mits binnen twee jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand door één van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan op de wijze zoals in artikel 2 lid 2 van die wet is bepaald. (…)’.
De vrouw heeft tijdens het huwelijk geen pensioenrechten opgebouwd, de man wel.
De vrouw vordert bij de Rechtbank een verklaring voor recht dat de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten onder de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (Wvps) vallen.
De man verwijst naar de verdelingsakte uit 1997. Volgens hem wisten partijen ten tijde van de ondertekening van dat document nog niet of zij de pensioenrechten al dan niet wensten te verdelen en of zij al dan niet van hun recht op pensioenverevening gebruik wensten te maken. Om die reden zijn zij volgens de man een bedenktermijn van twee jaar als ontbindende voorwaarde overeengekomen.
De Rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 2 lid 1 Wvps kunnen partijen de toepasselijkheid van deze wet uitsluiten bij huwelijkse voorwaarden, of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding. Partijen hebben de Wvps niet uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden. Uit de verdelingsakte blijkt evenmin dat zij de toepasselijkheid van die wet hebben uitgesloten. In de notariële akte hebben partijen tenslotte expliciet afgesproken dat zij op grond van artikel 2 en 3 Wvps over en weer recht hebben op uitbetaling van de opgebouwde pensioenaanspraken.
Aangezien beide partijen een andere uitleg geven aan voornoemde in de verdelingsakte opgenomen bepaling, gaat de Rechtbank – met inachtneming van het zogenaamde ‘Haviltex-criterium’ – over tot uitleg.
Uit de overgelegde brief van de notaris kan de Rechtbank niet afleiden wat de bedoeling van partijen was ten tijde van het sluiten van de notariële akte. In zijn brief geeft de notaris zijn eigen interpretatie met betrekking tot de betreffende zinsnede weer en verklaart niets te weten over de intentie van partijen.
Voor het standpunt zijdens de man dat partijen een ‘bedenktijd’ van twee jaar hebben beoogd af te spreken en dat partijen, als zij in die twee jaar geen actie zouden ondernemen, afzien van de toepasselijkheid van de Wvps, heeft hij geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dat zou blijken.
De Rechtbank stelt vast dat de omschrijving in de verdelingsakte vrijwel gelijkluidend is aan artikel 2 lid 2 van de Wvps. De strekking van dit wetsartikel is dat indien partijen de pensioenuitvoerder binnen twee jaar na de scheiding informeren, de pensioenuitvoerder ervoor zorgt dat hij aan elke partij het die partij toekomend deel van het opgebouwde ouderdomspensioen na de pensioendatum uitkeert. Indien partijen de pensioenuitvoerder niet binnen twee jaar informeren, dan zullen zij de uitbetaling van het ouderdomspensioen na de pensioendatum onderling met elkaar moeten regelen.
Nu partijen de pensioenuitvoerder(s) niet binnen de overeengekomen twee jaar hebben geïnformeerd, dient geconcludeerd te worden dat partijen zelf onderling de uitbetaling van de gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken moeten regelen. Uit niets is af te leiden dat partijen de bedoeling hadden om over en weer af te zien van de opgebouwde pensioenrechten op het moment dat geen van hen binnen twee jaar na scheiding bij de pensioenuitvoerder(s) zou melden. De Rechtbank acht in dit kader van belang dat de vrouw gedurende het huwelijk in het geheel geen pensioen heeft opgebouwd.
Uit het enkele feit dat de vrouw de man na de echtscheiding nimmer heeft aangesproken op verdeling c.q. verrekening van de gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken, valt geen rechtsverwerking af te leiden. Enkel stilzitten leidt niet tot rechtsverwerking. Bovendien geldt dat op grond van artikel 3:178 BW te allen tijde verdeling kan worden gevorderd. Dat de vrouw pas bij het naderen van de pensioengerechtigde leeftijd van de man aanspraak op de verdeling c.q. verrekening maakt, is niet onredelijk of onbillijk te achten.
De Rechtbank beslist dat, in overeenstemming met hetgeen partijen in de verdelingsakte zijn overeengekomen, de Wvps van toepassing is op het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. De Rechtbank wijst de vordering van de vrouw toe.
De gepubliceerde uitspraak is hier na te lezen.