Het Boon/Van Loon-arrest geldt ook bij gemeenschap van vruchten en inkomsten
Partijen zijn in 1978 op huwelijkse voorwaarden, houdende een gemeenschap van vruchten en inkomsten, met elkaar gehuwd. In 1993 gaan zij feitelijk uiteen, waarna in 1994 hun huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden.
Bij notariële verdelingsakte, ondertekend in 1996, verklaren partijen (1) dat ieder van hen het haar c.q. hem toekomende heeft ontvangen, (2) dat zij elkaar over en weer volledige kwijting en decharge verlenen, zonder enig voorbehoud en (3) dat zij afstand doen van de eventuele bevoegdheid ontbinding of vernietiging van de verdeling te vorderen.
Met een beroep op het “pensioenarrest” (Boon/Van Loon, HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) vordert de vrouw pensioendeling c.q. -verrekening door de man van de tijdens het huwelijk door hem opgebouwde pensioenrechten. De rechtbank wijst de vordering af, overwegende dat het door de vrouw aangehaalde arrest alleen betrekking heeft op de verrekening van pensioenrechten bij de verdeling van een algehele gemeenschap van goederen.
De vrouw gaat in hoger beroep en het Hof overweegt als volgt. De echtscheiding van partijen dateert uit de periode gelegen tussen 27 november 1981, de datum van het Boon/Van Loon-arrest, en 1 mei 1995, de datum van inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Gelet hierop dient aan de hand van het pensioenarrest te worden beoordeeld of de vrouw aanspraak kan maken op een deel van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken. Het pensioenarrest heeft betrekking op verrekening van pensioenaanspraken bij de verdeling van een algehele gemeenschap van goederen. De Hoge Raad heeft daarover overwogen dat de tot het tijdstip van de ontbinding van de algehele gemeenschap opgebouwde pensioenrechten op grond van artikel 1:94 BW in die gemeenschap vallen en daardoor in beginsel bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking dienen te komen.
In casu zijn partijen echter niet in een algehele gemeenschap van goederen gehuwd, maar in een gemeenschap van vruchten en inkomsten. Op grond van artikel 1:124 lid 1 BW omvat de gemeenschap van vruchten en inkomsten, wat haar baten betreft, alle goederen die de echtgenoten tijdens het bestaan van de gemeenschap hebben verkregen anders dan door erfopvolging, making of gift, met uitzondering van hetgeen krachtens lid 2 en 3 van artikel 1:124 BW buiten de gemeenschap valt. Omdat een gemeenschap van vruchten en inkomsten een door de regels van de wettelijke gemeenschap beheerst gemeenschappelijk vermogen kent dat pensioenaanspraken kan omvatten, is het Hof van oordeel dat de pensioenrechten – indien die ingevolge de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden tot de tussen hen bestaande gemeenschap van vruchten en inkomsten behoren – conform het pensioenarrest dienen te worden verrekend.
Na verdere inhoudelijke beoordeling, waarbij het Hof vaststelt dat de door de man opgebouwde pensioenaanspraken tot de tussen partijen bestaan hebbende gemeenschap van vruchten en inkomsten behoren en waarbij het Hof het beroep van de man op verknochtheid, verjaring, rechtsverwerking en de redelijkheid en billijkheid afwijst, terwijl het Hof voorts concludeert dat de pensioenrechten bij de verdeling zijn overgeslagen en alsnog op grond van artikel 3:179 lid 2 BW voor nadere verdeling in aanmerking komen, vernietigt het Hof het vonnis van de Rechtbank en wijst de vordering van de vrouw alsnog toe.
De uitspraak is hier na te lezen.