Ouderdomspensioen afgekocht vóór het huwelijk: nominaal vergoedingsrecht voor de vrouw
In deze zaak stelt de vrouw dat zij het voor het huwelijk opgebouwde pensioen heeft afgekocht, dat dit verknocht is en dat zij daarom een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter grootte van de afkoopsom ad € 21.464,-, vermeerderd met het daarmee behaalde rendement.
De man betwist dit primair en stelt subsidiair dat alleen sprake kan zijn van een nominaal vergoedingsrecht.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:94 (oud) BW van toepassing is, omdat partijen voor 1 januari 2018 zijn gehuwd. Uit lid 2 volgt dat alle goederen van de echtgenoten, die bij aanvang aanwezig waren of nadien zijn verkregen, in de gemeenschap vallen. Lid 3 maakt hierop een uitzondering met de bepaling dat de goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de vraag of een goed op bijzondere wijze aan één van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, afhangt van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Ook geld en dus pensioen kan door verknochtheid buiten de gemeenschap van goederen vallen.
De vrouw beroept zich op een uitspraak van de Hoge Raad van 13 juli 2018, waarin geoordeeld is dat afgekocht pensioen, opgebouwd buiten de huwelijkse periode, waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) van toepassing is, niet behoort tot de huwelijksgoederengemeenschap. Redengevend hiervoor is dat het pensioen, als het niet afgekocht was, evenmin gedeeld zou worden door middel van verevening.
Uit de stukken blijkt dat de vrouw het door haar voor het huwelijk in Italië opgebouwde pensioen heeft afgekocht. Op dit pensioen is de Wvps van toepassing. De herkomst en bestemming van het afgekochte pensioen brengen daarom met zich dat het afkoopbedrag moet worden aangemerkt als privévermogen van de vrouw. Uit de stukken blijkt dat het afkoopbedrag is gestort op de gezamenlijke ABN-AMRO bankrekening van partijen en dus in de gemeenschap terecht is gekomen. Dit levert een vermogensverschuiving op die een vergoedingsrecht voor de vrouw oplevert.
In geschil is vervolgens de vraag of de vrouw een nominaal vergoedingsrecht heeft of dat de beleggingsleer toegepast dient te worden. De vrouw stelt dat het afgekochte pensioen uiteindelijk op de gezamenlijke Binck bankrekening van partijen is gestort dat vervolgens in zeer hoge mate heeft gerendeerd. De vrouw heeft de storting op de Binck bankrekening echter niet onderbouwd. Nu de man dit heeft betwist is niet komen vast te staan dat het pensioen is geïnvesteerd op de Binck bankrekening, noch dat het bedrag een hoog rendement heeft opgeleverd.
Dit leidt tot de conclusie dat aan de vrouw een nominaal vergoedingsrecht toekomt ter grootte van de afkoopsom ad € 21.464,-.
De volledig uitspraak is hier te lezen.