De oudedagsverplichting (ODV): complexe materie
Bij omzetting van het pensioen in eigen beheer in een ODV, wordt het pensioen in eigen beheer fiscaal geruisloos afgestempeld van de commerciële naar de fiscale waarde en vervolgens omgezet in een ODV. De fiscale reservering was gelijk aan de waarde van de ODV en in de toekomst dienen hiervoor uitkeringen te worden aangekocht. De totale duur dient 20 jaar te zijn gerekend vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd. Na het overlijden van de dga dienen de uitkeringen toe te komen aan de erfgenamen en resulteren in uitkeringen van 20 jaar ongeacht aan wie de uitkeringen toekomen.
ODV en huwelijksgemeenschap
Behoort een ODV tot de huwelijksgemeenschap? Indien dit het geval is, dan deelt de echtgenoot ook mee in de waarde ervan. Op grond van het Boon/Van Loon-arrest (het pensioenarrest) meent de staatssecretaris van Financiën dat het aannemelijk is dat een oudedagsvoorziening die niet onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) valt, in de gemeenschap valt en de waarde daarvan verdeeld of verrekend dient te worden. Bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap dient de ODV te worden toegedeeld aan de dga nu deze aan hem of haar verknocht is. De andere echtgenoot verkrijgt dan een aanspraak ter grootte van de helft van de waarde van de ODV.
Is dit wel een correct uitgangspunt? De volledige pensioenaanspraak behoorde immers voor de omzetting niet tot de huwelijksgemeenschap en door zaaksvervanging behoort de ODV-aanspraak van de dga ook niet tot de huwelijksgemeenschap. De ODV is namelijk voor meer dan de helft afkomstig van vermogen dat niet behoort tot de huwelijksgemeenschap.
Uit het pensioenarrest kan worden geconcludeerd dat de ODV bij echtscheiding verknocht is aan de dga waarbij hij of zij de waarde ervan dient te verrekenen met zijn ex-echtgenoot.
Maar geldt dit ook bij overlijden van de dga of diens echtgenoot? Daar gaat het pensioenarrest niet over. Het gevolg is dat bij overlijden van de dga de echtgenoot geen vordering heeft op de dga vanwege waardeverrekening van de ODV. De nalatenschap van de dga is dan dus groter. Daar staat tegenover dat de nalatenschap van de echtgenoot bij diens overlijden kleiner is, omdat geen vordering op de ODV tot diens vermogen behoort.
ODV en derdenbeding
Is een ODV een derdenbeding? Dit is relevant aangezien de fiscale uitwerking in dat geval anders is dan in de situatie dat er geen sprake is van een derdenbeding. Dit verschil in uitwerking bestaat al jaren bij de verzekeringslijfrente en de bancaire lijfrente. Immers, een levensverzekering valt niet in de nalatenschap en vererft via artikel 13 SW 1956, terwijl de bancaire lijfrente in de nalatenschap valt en vererft via de hoofdregel van artikel 1 SW 1956. Dit is aldus van invloed op de grootte van de nalatenschap en dus op de aanspraak van de erfgenamen.
Immers, indien sprake is van een derdenbeding verkrijgt de echtgenoot van de dga de ODV-termijnen op grond van de ODV-overeenkomst. De ODV-aanspraak behoort dan niet tot de nalatenschap. Als geen sprake is van een derdenbeding, dan behoort de ODV-aanspraak tot de nalatenschap van de dga.
Kortom: complexe materie.