Geen verevening, maar wel verdeling van het ouderdomspensioen: dat is nu eenmaal afgesproken
Partijen zijn op 17 februari 1989 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. In het kader van de voorgenomen echtscheiding hebben partijen afspraken gemaakt die zij hebben vastgelegd in een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant). Na gezamenlijk verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank Maastricht bij beschikking van 3 maart 2010 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het convenant aan de beschikking gehecht, zodat deze daar onderdeel van uitmaakt. Op 24 maart 2010 werd de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In het convenant is in artikel 4 het volgende bepaald:
Het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk zal tussen partijen worden verdeeld. De man doet afstand van het eventueel door de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. Partijen maken nog nadere afspraken ten aanzien van de verdere effectuering van de verdeling van het door de man opgebouwde pensioen.
De man ontving vanaf 1 oktober 2016, tijdelijk, prepensioen. Vervolgens ontving hij vanaf 28 februari 2021, de datum waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, levenslang, ouderdomspensioen van Achmea.
De vrouw heeft de man herhaaldelijk – voor het eerst op 27 februari 2023 – aangeschreven met het verzoek om mee te werken aan de verevening van de, tijdens de huwelijkse periode opgebouwde, aanspraken op ouderdomspensioen. Hierbij heeft zij de man in de correspondentie tussen partijen gewezen op de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: de Wvps). Desondanks is de man niet overgegaan tot het verlenen van medewerking aan de door de vrouw verlangde pensioenverevening.
De vrouw vordert, veroordeling van de man:
– tot betaling aan haar van € 38.629,79 aan haar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
– tot betaling aan haar van € 501,49 per maand vanaf 1 april 2023, te vermeerderen met de door Achmea per 1 januari van ieder jaar, voor het eerst per 1 januari 2024, betaalbaar te stellen toeslagverlening, zolang partijen leven;
– in de kosten van het geding.
De man voert verweer tegen deze vorderingen van de vrouw.
De rechtbank behandelt ten eerste de vraag binnen welk juridisch kader de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld. De vrouw stelt dat de Wvps van toepassing is, de man betwist dat.
De rechtbank overweegt dat nu partijen in het convenant, zijnde een overeenkomst met het oog op de scheiding, zijn overeengekomen dat de man afstand doet van “het eventueel door de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen”, ‘uitdrukkelijk anders (…) bepaald’ als bedoeld in de Wvps. De Wvps voorziet immers ingevolge in verevening van de pensioenaanspraken van echtgenoten over en weer, oftewel in kruislingse pensioenverevening, waarvan partijen in hun convenant derhalve uitdrukkelijk zijn afgeweken. Gelet hierop vindt in de onderhavige zaak, anders dan bepleit door de vrouw, geen verevening volgens de Wvps plaats.
Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank op grond van de wet (artikel 25 Rv) zelfstandig dient na te gaan of op de door de vrouw als grondslag van haar vordering gestelde feiten zodanige rechtsregels toepasselijk zijn dat daardoor de vordering (geheel of ten dele) wordt gerechtvaardigd. Die juridische grondslag is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in artikel 4 van het convenant, meer in het bijzonder in de daaruit voor partijen jegens elkaar voortvloeiende verbintenissen.
Partijen hebben in voornoemd artikel onder meer afgesproken dat het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk zal worden verdeeld en dat partijen nog nadere afspraken maken ten aanzien van de verdere effectuering van de verdeling van het door hem opgebouwde pensioen. Dat de verdeling hiermee “dus al heeft plaatsgevonden”, zoals betoogd door de man, volgt de rechtbank niet. Alleen al het grammaticale gebruik van de toekomstige tijd ‘zal worden verdeeld’ wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat de verdeling niet reeds, maar nog moet plaatsvinden, en dat partijen alsdan nadere afspraken over de nog te maken verdeling dienen te maken.
De rechtbank kwalificeert de vordering van de vrouw mitsdien als een vordering tot verdeling van het pensioen van de man, zijnde toedeling van de helft daarvan aan haar, opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen, uit hoofde van de door hen gemaakte afspraken in artikel 4 van het convenant. Dat er geen gemeenschap is onderschrijft de rechtbank niet, nu die (beperkte) gemeenschap is ontstaan met de afspraak dat het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk tussen partijen zal worden verdeeld. Dat partijen bij huwelijkse voorwaarden iedere vermogensrechtelijke gemeenschap hebben uitgesloten, doet daar niet aan af, nu zij wat het pensioen betreft kennelijk (later) in het convenant een uitzondering hebben willen maken of die huwelijkse voorwaarden (later) hebben willen aanvullen.
Dit impliceert dat de vordering van de vrouw uit hoofde van de door haar met de man gemaakte afspraak niet is verjaard, nu een deelgenoot ingevolge het bepaalde in artikel 3:178 lid 1 BW te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. De rechtbank passeert daarom het door de man gedane beroep op verjaring.
Het door de man gedane beroep op rechtsverwerking slaagt evenmin. Enkel het tijdsverloop sinds de echtscheiding (13 jaar) is daartoe onvoldoende. Van bijzondere omstandigheden die bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen mochten wekken, dat de vrouw haar aanspraken op zijn pensioenrechten niet meer geldend zou maken, is op grond van het door hem gestelde niet gebleken.
Partijen zijn verdeeld over de vraag wat de omvang is van het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk. De vrouw heeft in dit verband ter onderbouwing van haar vordering een brief van Achmea van overgelegd. Daarin is door Achmea een indicatieve opgave neergelegd van de helft van het ouderdomspensioen dat door de man is opgebouwd tijdens de huwelijkse periode. De man heeft dit betwist “bij gebrek aan wetenschap c.q. nadere onderbouwing zijnerzijds dat deze bedragen kloppen” en voert verder aan dat hij bij Achmea een overzicht heeft opgevraagd van het pensioen dat hij gedurende een gedeelte van het huwelijk heeft opgebouwd, maar tot op heden niet heeft ontvangen.
In het licht hiervan en gelet op het indicatieve karakter van de door de vrouw gestelde berekeningen, ziet de rechtbank zich gesteld voor het feit dat zij niet op de hoogte is van de exacte stand van zaken dienaangaande. Toch wenst de rechtbank hierover te beschikken en zal zij (bij toewijzend eindvonnis) alleen genoegen nemen met een indicatieve berekening, indien een exacte berekening definitief onmogelijk blijkt. Gelet hierop zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen alsnog een precieze(re) berekening over te leggen van Achmea van het door hem tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioen en de aanspraak van 50% hierop van de vrouw.
In afwachting hiervan houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.
De uitspraak is hier te lezen.