Waardeverrekening oud pensioen: betaling ineens of in periodieke termijnen? En met of zonder indexering na scheiding?
In deze zaak zijn de man (M) en de vrouw (V) in 1978 met elkaar gehuwd. In de huwelijkse voorwaarden is overeengekomen dat tussen hen een gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan. Het huwelijk is in 1994 ontbonden.
Sinds 1 januari 2018 ontvangt M pensioenuitkeringen. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap zijn geen afspraken gemaakt over de pensioenrechten. V wil hier alsnog aanspraak op maken, maar M is het daar niet mee eens.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 2 november 2021 dat pensioenrechten die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd in de gemeenschap van vruchten en inkomsten vallen.
Het huwelijk van partijen is ontbonden in een periode na het Boon/Van Loon (pensioen)arrest, maar vóór de inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (1 mei 1995). Op grond van het pensioenarrest komen pensioenrechten in aanmerking voor waardeverrekening. Dat betekent dat het vóór de ontbinding van de gemeenschap opgebouwde ouderdomspensioen niet hoeft te worden verdeeld, maar verrekend moet worden. De wijze waarop deze verrekening plaatsvindt, moet worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Het te verrekenen bedrag wordt vastgesteld door de contante waarde van het ouderdomspensioen en het partnerpensioen op de datum van ontbinding van het huwelijk bij elkaar op te tellen, dat bedrag vervolgens door twee te delen en het aan V toekomende partnerpensioen daarop in mindering te brengen.
M stelt voor het pensioenbedrag in één keer te voldoen, terwijl V een periodieke uitkering wenst. Het hof acht een eenmalige betaling terecht, gezien het lange tijdsverloop sinds de scheiding en het feit dat M al een substantieel deel aan V heeft betaald.
Daarnaast bestaat er tussen partijen onenigheid over de vraag of pensioenstijgingen (indexeringen) na de scheiding ook moeten worden meegenomen in de verrekening. De vrouw meent van wel, de man meent van niet.
Het hof oordeelt dat alle indexeringen, van zowel tijdens het huwelijk als daarna, meegeteld moeten worden. Aangezien niet alle stijgingen in eerdere berekeningen zijn meegenomen, dienen nieuwe berekeningen te worden opgesteld en aan V te worden verstrekt.
Verdere vorderingen van V, zoals de afgifte van belastingaangiftes en een dwangsom, worden afgewezen.
De volledige uitspraak is hier te lezen.