Afstorting van het in eigen beheer opgebouwde pensioen
De ex-echtelieden in deze zaak zijn in 1982 op huwelijkse voorwaarden (met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een periodiek verrekenbeding) met elkaar getrouwd. De man is zelfstandig ondernemer en enig aandeelhouder van zijn holding. In 2011 gaan partijen feitelijk uiteen, waarna hun huwelijk in 2012 door echtscheiding wordt ontbonden. Aan het periodieke verrekenbeding hebben partijen tijdens hun huwelijk nooit uitvoering gegeven.
De Rechtbank veroordeelt de man tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het aan de vrouw toekomende gedeelte van de door hem sinds 1997 in eigen beheer bij zijn holding opgebouwde pensioenaanspraken. De man gaat hiertegen in appèl. Volgens hem is het in redelijkheid niet (meer) mogelijk om tot afstorting van de aanspraken van de vrouw over te gaan zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen, mede gelet op de noodzakelijke dividenduitkering – teneinde zijn hoge rekening-courantrekening naar beneden te brengen – die in 2014 heeft plaatsgevonden.
Het Gerechtshof overweegt als volgt. De accountant heeft de commerciële waarde van de pensioenaanspraken van de vrouw per de peildatum op 23 maart 2012, aan de hand van algemeen geaccepteerde criteria, berekend op € 302.372,–. Beoordeeld dient te worden of er op de peildatum voldoende kapitaal binnen de Holding van de man aanwezig was om zowel het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken af te storten, als het daarmee corresponderende aandeel van de man te dekken, waarbij de voortgang van de onderneming niet in gevaar mag worden gebracht. De accountant heeft deze vraag bevestigend beantwoord, aangezien de man zijn rekening-courantschuld bij zijn Holding volledig, dan wel gedeeltelijk kon inlossen uit zijn privévermogen. Het werkkapitaal van de holding van de man bedroeg per eind 2011 € 679.356,–. De accountant heeft geconstateerd – en derhalve anders dan de man betoogt – dat de aard van de onderneming niet met zich brengt dat een hoge(re) liquiditeit aangehouden moet worden, zodat er op de peildatum voldoende vermogen in de holding aanwezig was om de volledige aanspraken volledig te herverzekeren of extern af te storten, zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen.
Uit het accountantsrapport blijkt dat de dividenduitkering in 2014 ad € 250.000,– tot gevolg heeft gehad dat de rekening-courantschuld van de man aan zijn holding eind 2014 naar € 253.493,– is teruggelopen. Ten gevolge waarvan het eigen vermogen van de holding fors is afgenomen, dat tot gevolg heeft dat de dekking van het pensioen in eigen beheer ook is afgenomen. Gelet op het door de accountant berekende privévermogen van de man (volgens zijn aangifte inkomstenbelasting 2014 € 317.562,– positief), had de man zijn rekening-courantschuld niet middels een dividenduitkering hoeven af te lossen.
Dit brengt het Hof tot het oordeel dat deze afname van de middelen van de holding na de echtscheiding, terwijl de man wist dat hij diende over te gaan tot afstorting van het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraken in eigen beheer, op basis van de postrelationele solidariteit niet evenredig tussen de ex-partners dient te worden verdeeld, zoals de man kennelijk voorstaat. Hoewel de accountant aangeeft niet te hebben kunnen vaststellen of er thans nog voldoende middelen in de holding aanwezig zijn, ziet het Hof geen aanleiding om de meest recente jaarstukken van de holding ter beoordeling aan de accountant voor te leggen. Bovendien had het op de weg van de man gelegen om voldoende gemotiveerd te stellen – en met relevante stukken te onderbouwen – dat de huidige situatie een dergelijke afstorting niet toelaat. Aangezien de man dit heeft nagelaten, dient dit voor zijn rekening en risico te blijven.
Concluderend is het Hof van oordeel dat de man tot afstorting van de commerciële waarde van de pensioenaanspraken van de vrouw ad € 302.372,– per de peildatum dient over te gaan.
De volledige uitspraak is hier na te lezen.