Geen toepassing van het Boon-Van Loon-arrest, nu op een andere wijze in de verzorging is voorzien
In deze kwestie heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de verdeling van de pensioenrechten. Op 29 juli 2013 heeft de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dit houdt volgens de vrouw in dat overgegaan dient te worden tot verdeling van de pensioenrechten volgens het Boon – Van Loon-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1981:AG4271). De vrouw heeft de man vergeefs verzocht om informatie over zijn pensioenaanspraken te verstrekken.
De man – in deze zaak vertegenwoordigd door zijn bewindvoerster – erkent dat het Boon – Van Loon-arrest maatgevend is voor de beoordeling van de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag de vrouw aanspraak kan maken op door de man opgebouwde pensioenaanspraken. In tegenstelling tot hetgeen de vrouw stelt, is volgens de bewindvoerster in voornoemd arrest niet opgenomen dat de pensioenrechten moeten worden verdeeld, maar dat de tot aan de echtscheiding opgebouwde pensioenrechten bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap middels verrekening in aanmerking dienen te worden genomen. De wijze waarop en tot welk bedrag, dient aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid te worden vastgesteld. In dit kader is het mogelijk dat een vordering tot verrekening van opgebouwde pensioenrechten wordt gematigd of zelfs in het geheel dient te worden afgewezen, bijvoorbeeld als de pensioengerechtigde reeds op een andere wijze in de verzorging van de andere echtgenoot heeft voorzien of redelijkerwijs niet tot uitkering in staat is.
De bewindvoerster stelt zich primair op het standpunt dat bij de verdeling van de gemeenschap reeds rekening is gehouden met (verdeling van) de pensioenrechten. Door het achterlaten van de inboedel heeft volgens haar al een verrekening van de pensioenrechten plaatsgevonden. Subsidiair stelt de bewindvoerster dat de man al op een andere wijze in de verzorging van de vrouw heeft voorzien en meer subsidiair dat het de man aan draagkracht ontbreekt om aan de vrouw enige uitkering te voldoen. Uiterst subsidiair stelt de bewindvoerster dat over het verleden geen pensioen verrekend hoeft te worden en voor de toekomst de (te matigen) uitkeringen maandelijks dienen te geschieden.
De Rechtbank is van oordeel dat – in tegenstelling tot de vrouw stelt – uit het Boon – Van Loon-arrest wel degelijk volgt dat de bijzondere aard van de ouderdomspensioenrechten ertoe kan leiden dat een vordering tot verrekening wordt gematigd of in het geheel niet wordt toegekend.
De Rechtbank sluit zich aan bij de visie van de bewindvoerster dat de man in de verzorging van de vrouw heeft voorzien door haar gedurende een periode van meer dan 25 jaar in de woning te laten wonen, zonder daarvoor een gebruikersvergoeding van de vrouw te verlangen. Verder heeft hij gedurende die tijd bijgedragen in de woonlasten, gelet op het feit dat hij jaarlijks werd aangeslagen voor de (helft van de) eigenaarslasten van de woning. Voorts heeft de man jaarlijks vermogensbelasting betaald over de overwaarde van de woning, bij elkaar een bedrag van circa € 1.000,– op jaarbasis. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de man op deze manier gedurende een dusdanig lange tijd in de verzorging van de vrouw voorzien, dat van een vordering tot verdeling c.q. verrekening van de door de man tot aan de echtscheiding opgebouwde pensioenaanspraken geen sprake meer kan zijn.
De hele uitspraak is hier terug te lezen.