Geschil over afstorting van opgebouwd pensioen in eigen beheer
De man en de vrouw zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd. Als zelfstandig ondernemer bouwt de man in eigen beheer pensioen op binnen zijn onderneming. De man en vrouw zijn in 2008 gescheiden.
In het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant is afgesproken:
“Partijen stellen vast dat er pensioenaanspraken gelden die vallen onder de Wet Verevening Pensioenrechten en dat Pensioenverevening zal plaatsvinden op onderstaande wijze. (…) [De] totale waarde van de pensioenrechten tot datum echtscheiding bedraagt € 238.864,–, waarvan de aanspraak van de vrouw gesteld dient te worden op € 116.014,– op het moment dat de vrouw haar 65 jarige leeftijd bereikt. (…)”
De vrouw vordert, verwijzend naar voornoemd artikel, de rechtbank te bevelen dat de man haar met ingang van haar pensioendatum de voor de aankoop van pensioen benodigde som ter beschikking stelt. De man bestrijdt dat hij het voor het pensioen van de vrouw benodigde bedrag zou afstorten. De man stelt dat het pensioen van de vrouw al onderdeel was van de reeds tussen partijen voltrokken verdeling.
De rechtbank komt tot de volgende overwegingen. Uit artikel 1:155 BW volgt dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening. Dat partijen de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) hebben uitgesloten, is door geen van partijen gesteld, noch gebleken. In aansluiting op artikel 1:155 BW, volgt uit artikel 11 WVPS dat verevening van pensioenrechten enkel uitblijft, indien de echtgenoten dit bij huwelijkse voorwaarden of bij schriftelijke overeenkomst – met het oog op de scheiding – uitdrukkelijk hebben bepaald. Hiervan is in deze casus geen sprake. Uit het echtscheidingsconvenant volgt juist dat partijen de WVPS van toepassing hebben geacht.
Met toepassing van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:693) oordeelt de rechtbank het volgende. Het in de wet verankerde uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het opgebouwde pensioen, is onverminderd van toepassing, ook indien een afstortingsplicht bestaat. De afstorting dient dan zodanig te geschieden dat de aanspraken van de echtgenoten op het pensioen in beginsel ook in dezelfde mate zijn verzekerd, althans dat dit laatste zo veel mogelijk het geval is.
Hierbij dient het volgende uitgangspunt te worden genomen: indien de vennootschap een pensioentoezegging doet, dient zij ervoor zorg te dragen dat zij deze t.z.t. kan nakomen. Indien de pensioenopbouw in eigen beheer plaatsvindt, dient zij daarom in beginsel over voldoende kapitaal daartoe te beschikken, in de vorm van eigen vermogen of van een voorziening. In verband met artikel 3.29 Wet IB 2001, die een rekenrente voorschrijft van in ieder geval 4%, kan de fiscale pensioenreserve in dit verband onvoldoende zijn. Bij het vorenstaande dient dan ook te worden uitgegaan van de zogenaamde commerciële waarde van de pensioentoezegging, waarbij de heersende marktrente als uitgangspunt wordt genomen.
Indien op het moment van scheiding niet voldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten, waaronder de meerkosten begrepen om na afstorting tot dezelfde pensioenuitkering te komen als waarop deze zonder afstorting aanspraak had kunnen maken én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om, berekend naar de commerciële waarde, de met het aandeel van de tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak te dekken, zal het tekort in beginsel dienen te worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening op grond van artikel 3 lid 1 WVPS leidt. Alleen aldus wordt immers voldoende recht gedaan aan het uitgangspunt dat de aanspraken van partijen, zo veel als mogelijk, in dezelfde mate zijn verzekerd.
Om die reden dient te worden geoordeeld of het in de vennootschap van de man aanwezige kapitaal op de echtscheidingsdatum toereikend was om én de pensioenaanspraak van de vrouw af te storten én de overblijvende pensioenaanspraak van de man te dekken. Mocht dit niet het geval zijn, dan zal het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig artikel 3 lid 1 WVPS leidt. Bovendien dient vast komen te staan welk bedrag de vrouw nodig heeft om de hiervoor bedoelde aanspraak per de datum van de echtscheiding te realiseren, als gevolg van het feit dat er niet eerder is afgestort.
De rechtbank stelt beide partijen in de gelegenheid om zich over de financiële consequenties van het hiervoor overwogene uit te laten en houdt iedere verdere beslissing aan.
Klik hier voor deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 26 juli 2017.