Geslaagd pensioenverweer: verzoek tot echtscheiding afgewezen
Partijen zijn in 1997 op huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. De man is werkzaam bij een aan de Verenigde Naties (hierna: VN) verbonden organisatie, waardoor hij is aangesloten bij het VN-pensioenfonds. Uit het pensioenreglement blijkt dat de vrouw, zolang zij met de man gehuwd is en hij komt te overlijden, recht heeft op een bijzonder partnerpensioen. Indien de man echter binnen vijftien jaar na het beëindigen van het huwelijk zou overlijden en dan met een ander gehuwd blijkt te zijn, zal de vrouw het bijzonder pensioen dienen te delen met de nieuwe echtgenote, de weduwe, van de man. Indien de man na vijftien jaar zou overlijden, dan ontvangt de vrouw uitsluitend partnerpensioen als de man op dat moment nog alimentatieplichtig zou zijn, hetgeen op grond van het Nederlands recht ongebruikelijk is.
In 2010 wijzigen partijen hun huwelijksvoorwaarden. Zij spreken daarin af dat de man de rechten van de vrouw op het ouderdomspensioen zal afkopen. In een nog lopende procedure heeft de man de Rechtbank echter verzocht om de huwelijkse voorwaarden wegens dwaling te vernietigen.
In 2015 spreekt de Rechtbank op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uit.
In appèl verzoekt de vrouw het Gerechtshof, met een beroep op artikel 1:153 lid 1 BW (pensioenverweer), het echtscheidingsverzoek van de man alsnog af te wijzen. Volgens de vrouw leidt toewijzing van het echtscheidingsverzoek tot het teloorgaan van, dan wel een ernstige vermindering – vaststaat dat het om 450.000 dollar gaat – van de uitkering van partnerpensioen aan haar in geval van vooroverlijden van de man.
Het Hof is met de vrouw van oordeel dat redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij, los van een eventuele door partijen te treffen billijke voorziening, over voldoende middelen zal beschikken om het verlies van 450.000 dollar afdoende te compenseren. Van haar kan niet worden gevergd dat zij, om het gemis aan partnerpensioen op te vangen, in de toekomst de door haar bewoonde woning geheel te gelden zou moeten maken.
De stelplicht en bewijslast van de voor toepassing van artikel 1:153 lid 2 BW benodigde feiten en omstandigheden rusten op de man, nu hij zich op het rechtsgevolg daarvan beroept. Tegenover de betwisting door de vrouw, heeft de man niet voldoende aangevoerd om zijn stelling te onderbouwen. De hoogte van de te verwachten erfenis van de moeder van de vrouw is thans nog naar zijn aard onzeker, zodat daaraan slechts beperkt verwachtingen voor de toekomst kunnen worden ontleend. Dit betekent dat de vrouw naar verwachting bijna haar gehele liquide vermogen ter compensatie zou moeten inzetten. Dat kan in redelijkheid niet van haar worden verlangd.
Op grond van artikel 34 van het VN-pensioenreglement heeft de vrouw, zolang zij nog met de man getrouwd is, bij zijn vooroverlijden recht op een bijzonder partnerpensioen, dat zij niet met een ander hoeft te delen. Ingevolge artikel 35bis van het pensioenreglement zal, als de man binnen vijftien jaar na het eindigen van het huwelijk met de vrouw zou overlijden en dan met een ander gehuwd zal blijken te zijn, het partnerpensioen voor de vrouw verminderen, omdat zij dat in dat geval zal moeten delen met de weduwe van de man, naar rato van de duur van hun respectieve huwelijken. Voorts wijst de vrouw er met recht op dat in het – statistisch niet onwaarschijnlijke – geval dat de man, die geboren is in 1959, nóg later komt te overlijden, zij hoogstwaarschijnlijk in het geheel geen partnerpensioen zal ontvangen, omdat zij daarvoor dan nog slechts in aanmerking komt indien de man op het moment van overlijden alimentatieplichtig voor haar is, hetgeen niet aannemelijk is. Ex artikel 1:157 lid 4 BW is de maximale duur van de alimentatieplicht als uitgangspunt tenslotte twaalf jaar, te rekenen vanaf het moment van ontbinding van het huwelijk.
Dit houdt in de vrouw terecht aanvoert dat door de echtscheiding haar uitzicht op partnerpensioen, afhankelijk van de omstandigheden, in ernstige mate kan verminderen of zelfs teniet kan gaan.
Aangezien de man de rechtbank in een nog lopende procedure heeft gevraagd om de huwelijkse voorwaarden te vernietigen wegens dwaling, is de reeds in de huwelijkse voorwaarden getroffen voorziening, waar de man zich op beroept, onzeker geworden. Het Hof vernietigt dan ook de beschikking van de Rechtbank en wijst het echtscheidingsverzoek van de man alsnog af. Indien het alsnog tot een echtscheiding moet komen, zal eerst een billijke voorziening dienen te worden getroffen.
De uitspraak is hier te lezen.