Hoge Raad oordeelt over verevening van pensioen in eigen beheer
Partijen zijn in 1988 in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd, welk huwelijk in 2010 door echtscheiding is ontbonden. De vrouw is enig aandeelhouder van X BV, welke vennootschap haar een pensioentoezegging heeft gedaan. Het toegezegde pensioen wordt door X BV in eigen beheer opgebouwd.
De man verzoekt om ex artikel 2 lid 1 jo. artikel 1 lid 4 sub a WVPS de vrouw te veroordelen tot afstorting van zijn aandeel in het door haar binnen X BV opgebouwde pensioen bij een externe verzekeraar. Het Hof wijst het verzoek van de man toe en veroordeelt de vrouw om uit de pensioenreserve van X BV ten gunste van de man om een bedrag van € 198.537,– af te storten.
De vrouw komt in cassatie, alwaar zij klaagt dat het Hof zich niet heeft gehouden aan het uitgangspunt dat afstorting van het aan de man toekomende deel van het opgebouwde pensioen in eigen beheer, er niet toe mag leiden dat de aanspraken van partijen op dit pensioen niet in dezelfde mate verzekerd zijn. De vrouw verwijst naar haar stellingen dat na afstorting onvoldoende middelen overblijven om haar aandeel in het opgebouwde pensioen te kunnen uitkeren, alsmede dat zij arbeidsongeschikt is, hetgeen van invloed is op haar verdiencapaciteit.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof is bij zijn oordeel is uitgegaan van de beslissing van de Hoge Raad van 9 februari 2007. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat de eisen van redelijkheid en billijkheid – die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen – in het algemeen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot, die als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, moet zorgdragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Deze beslissing berust daarop, dat van de vereveningsgerechtigde echtgenoot in beginsel niet kan worden gevergd dat hij of zij afhankelijk blijft van het beleid dat de andere echtgenoot ten aanzien van de betrokken rechtspersoon – en de onderneming waaraan deze verbonden is – voert en het risico moet blijven dragen dat het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald.
Het wettelijke uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het opgebouwde pensioen, is onverminderd van toepassing als de hiervoor genoemde afstortingsplicht bestaat. De afstorting dient dan ook op een zodanige wijze plaats te vinden dat de pensioenaanspraken van partijen in beginsel ook in dezelfde mate, althans zoveel mogelijk, zijn verzekerd. In dit kader dient tot uitgangspunt te worden genomen dat als de vennootschap een pensioentoezegging doet, zij zorg dient te dragen dat zij deze te zijner tijd kan nakomen. Indien en voor zover de opbouw van het pensioen in eigen beheer plaatsvindt, dient zij daarom in beginsel over voldoende kapitaal daartoe te beschikken – in de vorm van een voorziening of van eigen vermogen. In verband met artikel 3.29 Wet IB 2001, waarin een rekenrente van ten minste 4% wordt voorgeschreven, kan de fiscale pensioenreserve in dit verband onvoldoende zijn. Bij het vorenstaande dient dan ook te worden uitgegaan van de zogenaamde “commerciële waarde” van de toezegging, waarbij de actuele marktrente tot uitgangspunt wordt genomen.
Op het moment dat op het tijdstip van de scheiding onvoldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten – waaronder begrepen de meerkosten om na afstorting tot dezelfde pensioenuitkering te komen als waarop deze zonder afstorting aanspraak had kunnen maken – én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om (nogmaals naar de commerciële waarde berekend) de met het aandeel van de tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak te dekken, zal het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening ex artikel 3 lid 1 WVPS, leidt. Alleen dan wordt immers voldoende recht gedaan aan het uitgangspunt dat de aanspraken van partijen, zoveel mogelijk, in dezelfde mate zijn verzekerd.
Gelet op het vorenstaande is het Hof weliswaar terecht uitgegaan van de commerciële waarde van het in X BV opgebouwde pensioen, maar heeft het miskend dat het vervolgens had dienen te onderzoeken of het in X BV aanwezige kapitaal toereikend is om én de pensioenaanspraak van de man af te storten, én de overblijvende pensioenaanspraak van de vrouw te dekken op de hiervoor omschreven wijze.
De Hoge Raad vernietigt en verwijst.
De uitspraak is hier na te lezen.