Kleine pensioenen vallen buiten de ‘wettelijke standaardregeling’ van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding
Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In hun huwelijkse voorwaarden staat opgenomen: ‘Bij echtscheiding (…) worden de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken verevend conform het bepaalde in de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding’.
In 2018 wordt het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden. In het echtscheidingsconvenant is de volgende zinssnede opgenomen: ‘Partijen zullen de door de vrouw ten tijde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten verevenen conform de wettelijke standaardregeling’.
Partijen twisten over de vraag of de door de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten moeten worden verevend. De man vordert veroordeling van de vrouw tot medewerking aan verevening van de door haar tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken.
De rechtbank wijst de vordering van de man af, waarna hij in hoger beroep gaat. Volgens hem hebben partijen afgesproken dat alle pensioenen, waaronder de kleine pensioenen van de vrouw, tussen hen dienen te worden verevend, verrekend of verdeeld. Dit wordt door de vrouw betwist.
De (juridische) standpunten van partijen dienen te worden bepaald door de betekenis die zij geven aan de passage ‘verevenen conform de wettelijke standaardregeling’ in het echtscheidingsconvenant.
Met inachtneming van het Haviltex-criterium overweegt het gerechtshof als volgt. De tekst van het echtscheidingsconvenant ondersteunt de uitleg van de vrouw. De wettelijke regeling waarnaar partijen uitdrukkelijk verwijzen, is die van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (Wvps). Onderdeel van die wettelijke regeling is artikel 3 lid 3 Wvps, waarin is bepaald dat kleine pensioenen niet hoeven te worden verevend. De tussen partijen overeengekomen afspraak is bovendien in lijn met wat zij in hun huwelijkse voorwaarden hebben afgesproken, te weten: ‘(…) worden de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken verevend conform het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding’. De man stelt weliswaar dat die afspraak in de huwelijkse voorwaarden inhoudt dat partijen ook kleine pensioenen moeten verevenen of verdelen, maar hij onderbouwt dat verder niet en de vrouw betwist dat. Het gerechtshof dient die stelling dan ook buiten beschouwing te laten.
Voor de uitleg is verder van belang hoe de afspraak tot stand is gekomen. De man leidt uit correspondentie en berekeningen van en tussen de advocaten en adviseurs van partijen af dat het de bedoeling was om ook de kleine pensioenen van de vrouw te verevenen, verrekenen of verdelen. Het gerechtshof ziet echter in geen van deze stukken aanknopingspunten voor de uitleg van de man. Het betreffen tenslotte ‘slechts’ berekeningen. In deze stukken is niet te lezen welke consequenties partijen aan die berekeningen verbinden.
Ten aanzien van de door de man bepleite aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 1 en 2 BW overweegt het gerechtshof als volgt. Bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met (1) algemeen erkende rechtsbeginselen, (2) de in Nederland levende rechtsovertuigingen en (3) de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken, zoals bepaald in artikel 3:12 BW.
Uitgangspunt is dat de redelijkheid en billijkheid eisen dat partijen gebonden zijn aan wat zij overeengekomen zijn. Het gerechtshof oordeelt dat die afspraak inhoudt dat de kleine pensioenen van de vrouw niet hoeven te worden verevend. De door de man aangedragen argumenten zijn onvoldoende om te oordelen dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat weliswaar niet volgens de Wvps hoeft te worden verevend, maar dat toch de pensioenaanspraken van de vrouw zouden moeten worden verrekend of verdeeld. De man heeft daar weliswaar een persoonlijk belang bij, maar de vrouw juist niet, terwijl uit de afspraak van partijen voortvloeit dat er met de kleine pensioenen juist niets hoeft te gebeuren. Van algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen waarmee hier rekening zou moeten worden gehouden, is niet gebleken. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou ertoe kunnen leiden dat de afspraak van partijen in het echtscheidingsconvenant over de verevening buiten toepassing blijft. Dat zou niet betekenen dat de vrouw dan gehouden is de kleine pensioenen met de man te verevenen, te verrekenen of te verdelen. Een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan de man dan ook niet baten.
Rest de vraag of de afspraak dat partijen de door de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken conform de wettelijke standaardregeling verevenen nietig is en vatbaar voor conversie in de zin van artikel 3:42 BW. De inhoud en strekking van de afspraak zijn volgens het gerechtshof niet in strijd met de goede zeden of de openbare orde, noch met een dwingende wetsbepaling. De afspraak is niet meer dan de bevestiging van wat partijen al eerder in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen en sluit aan bij wat de wet regelt over pensioenverevening. Voor conversie in de zin van artikel 3:42 BW is dan ook geen aanleiding.
Het gerechtshof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank. Het arrest is hier te lezen.