Pensioenverevening bij echtscheiding na 20 jaar
Partijen zijn in 1974 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. In 1996 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden, waarbij partijen geen regeling afspreken met betrekking tot de tijdens het huwelijk door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken. Ook sluiten zij de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) niet hebben uit.
In september 2016 bereikt de man de pensioengerechtigde leeftijd. De man reageert niet op brieven van de advocaat van zijn ex-vrouw om informatie te verschaffen over de door hem gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken.
In eerste aanleg vordert de vrouw veroordeling van de man tot betaling aan haar van het deel waar zij op grond van de Wvps aanspraak op heeft.
De Rechtbank wijst die vordering toe, waarna de man in hoger beroep gaat. Hij beroept zich hierbij op afstand van recht, rechtsverwerking en de redelijkheid en billijkheid.
Het Gerechtshof overweegt als volgt. Afstand van recht is een rechtshandeling waarmee de rechthebbende ernaar streeft om een recht prijs te geven. Voor afstand van een vorderingsrecht dient wilsovereenstemming daarover tussen partijen te zijn bereikt. Het enkele stilzitten van de vrouw gedurende een periode van 20 jaar na de echtscheiding is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vrouw haar (vorderings)recht op pensioenverevening heeft prijsgegeven. Vast staat dat de vrouw op grond van de wet aanspraak maakt op pensioenverevening, die zij in beginsel op ieder moment jegens de man kan inroepen (zie uitspraak van de Hoge Raad 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762).
Dat de vrouw zo lang heeft gewacht kan bovendien worden verklaard door het gegeven dat de man (eerst) op 8 september 2016 zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en daarmee de pensioenaanspraak van de vrouw pas actueel is geworden. Het beroep van de man op afstand van recht wordt afgewezen.
Gelet op de terughoudendheid waarmee een beroep op rechtsverwerking wordt gevolgd, is de enkele door de man aangevoerde omstandigheid dat zijn ex-echtgenote pas 20 jaar na de scheiding haar vordering uit hoofde van pensioenverevening instelt, op zichzelf genomen onvoldoende voor het doen slagen van het beroep op rechtsverwerking. Hoewel het Hof zich kan voorstellen dat de man overvallen werd door de vordering van de vrouw, vast staat dat de vrouw de vordering die haar rechtens toekomt – voor het eerst in de onderhavige procedure – heeft ingesteld op een tijdstip waarop haar aanspraak op de helft van de waarde van het pensioen van de man actueel is geworden. De aard van de vordering brengt met zich mee dat deze jarenlang na de echtscheiding – pas bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd – aan de orde kan komen. Ook in de overige door de man aangevoerde omstandigheden ziet het Hof geen aanleiding om het beroep op rechtsverwerking te honoreren.
Ten slotte voert de man aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw haar recht op pensioenverevening jegens hem te gelden maakt. Ook dit beroep faalt. Het Hof ziet geen aanleiding om op grond van de – strikt toe te passen – maatstaven van de redelijkheid en billijkheid de vordering van de vrouw af te wijzen. Het Hof bekrachtigt de uitspraak van de Rechtbank.
De volledige uitspraak is hier na te lezen.