Per e-mail kan niet worden afgeweken van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
In deze zaak zijn partijen in 1989 in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Tijdens het huwelijk heeft de man pensioenaanspraken bij pensioenfondsen ABP en Mercer opgebouwd en de vrouw bij Aegon.
In verband met hun voorgenomen echtscheiding voeren partijen in 2012 diverse gesprekken over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de pensioenaanspraken. Bij die gesprekken wordt de man bijgestaan door een advocaat en de vrouw door een scheidingsplanner.
Naar aanleiding van één van die gesprekken mailt de scheidingsplanner op 13 juni 2012 aan de advocaat van de man: ”In het kader van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken bij Mercer wil de vrouw afwijken van de standaardregeling volgens de wet Pensioenverevening bij scheiding door de verhouding 75%/25% af te spreken, waarbij de man dan 75% zal behouden. Partijen sluiten bij deze de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding met betrekking tot de door de vrouw opgebouwde rechten op ouderdomspensioen bij Aegon uit. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden. Partijen sluiten bij deze de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding met betrekking tot de door de man opgebouwde rechten bij ABP op ouderdomspensioen uit. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden.”
In reactie hierop mailt de advocaat van de man op 23 juni 2012 aan de scheidingsplanner: ”Het door u aan de orde gestelde onderwerp inzake het ouderdomspensioen (…) is inderdaad conform het (…) besprokene, waar ook mijn cliënt zich achter stelt. Daarover bestaat derhalve consensus”.
Op 16 januari 2014, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de Rechtbank van hun gezamenlijk verzoek tot echtscheiding, bereiken partijen overeenstemming over de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De gemaakte afspraken worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, waarna op 3 februari 2014 het huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden.
Partijen verschillen van mening over de vraag of zij ten aanzien van de verdeling van voormelde pensioenaanspraken bindende afspraken met elkaar hebben gemaakt, waarbij wat betreft het bij Aegon en het ABP opgebouwde pensioen de werking van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp) is uitgesloten en wat betreft het bij Mercer opgebouwde pensioen van de wettelijke regeling is afgeweken.
De man stelt zich op het standpunt dat partijen bindende afspraken hebben gemaakt, de vrouw betwist dit.
De Rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat partijen niet bij huwelijkse voorwaarden de toepasselijkheid van de Wvp hebben uitgesloten, noch een daarvan afwijkende regeling hebben afgesproken. De vraag is of zij dat hebben gedaan middels “een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding” als bedoeld in artikel 4 lid 1 Wvp. De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 16 januari 2014 kan als een dergelijke overeenkomst worden aangemerkt. De Rechtbank stelt echter vast dat daarin ten aanzien van de pensioenaanspraken niets is afgesproken, terwijl – zoals de vrouw betoogt – indien uitsluiting en/of afwijking van de Wvp was beoogd dit wel voor de hand had gelegen. Weliswaar blijkt uit de e-mailwisseling dat partijen hebben gesproken over verrekening c.q. verevening van de pensioenaanspraken, maar zelfs al zou sprake zijn van aanbod en aanvaarding – hetgeen de Rechtbank in het midden laat – is daarmee niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste zoals de wet vereist.
De uitspraak is hier na te lezen.