Vrouw maakt 34 jaar na scheiding aanspraak op pensioenverrekening
Partijen zijn in 1970 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd, welk huwelijk door echtscheiding in 1982 is ontbonden. In het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant hebben zij afspraken gemaakt over de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw en over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het echtscheidingsconvenant bevat geen bepaling over de verrekening of verdeling van de door de man opgebouwde pensioenrechten.
In 2004 gaat de man met pensioen, in welk jaar de vrouw hem met twee brieven aanschrijft over de verrekening van de door hem opgebouwde pensioenrechten. De man reageert niet op de schrijven van de vrouw.
Op 5 augustus 2016 ontvangt de man een brief van de advocaat van de vrouw en vijf weken later wordt hij gedagvaard.
In appèl twisten partijen over de volgende geschilpunten:
– Is de vordering van de vrouw verjaard?
– Kan de man een geslaagd beroep op rechtsverwerking doen?
– Staat de redelijkheid en billijkheid aan verrekening van de pensioenrechten in de weg?
– De hoogte van het bedrag van te verrekenen pensioenrechten.
Partijen zijn het erover eens dat een eventuele verrekening dient plaats te vinden aan de hand van het Boon/Van Loon-arrest.
Het Gerechtshof overweegt als volgt. In artikel 3:179 lid 2 BW is bepaald dat de omstandigheid dat een goed bij de verdeling is overgeslagen enkel tot gevolg heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. Op grond van artikel 3:178 BW kan een deelgenoot te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de woorden “te allen tijde” aldus moeten worden begrepen dat – voor zover de wet niet anders bepaald – een vordering tot verdeling niet onderhevig is aan verjaring. Artikel 3:306 BW bepaalt dat een rechtsvordering na ommekomst van twintig jaren verjaart. Deze verjaringstermijn is niet van toepassing, omdat in artikel 3:178 BW anders wordt bepaald. De vordering is dan ook niet verjaard.
Rechtsverwerking is ex artikel 6:2 lid 2 en artikel 248 lid 2 BW een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daarbij heeft te gelden dat enkel tijdsverloop onvoldoende grond is voor het aannemen van rechtsverwerking. Er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet (meer) geldend zou maken, of als gevolg waarvan de positie van de man onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken.
De vrouw stelt dat de man ten tijde van de echtscheiding heeft geprobeerd haar te bewegen tot het doen van afstand van haar rechten op de door hem opgebouwde pensioenaanspraken, maar dat zij daarvan niet heeft afgezien. Dit punt is ook niet geregeld in het echtscheidingsconvenant. De vrouw heeft de man vervolgens (pas) in augustus 2004, nadat hij al met pensioen was gegaan, aangeschreven. De man betwist dat zijn ex-vrouw hem veelvuldig zou hebben medegedeeld dat zij aanspraak maakte op pensioenverrekening, maar ontkent niet dat hij de twee brieven van de vrouw dienaangaande heeft ontvangen en dat hij daarop niet heeft gereageerd.
Vervolgens heeft de vrouw zich pas op 5 augustus 2016 tot een advocaat gewend en is de man aangeschreven en gesommeerd om inzage in de pensioenberekeningen te verlenen. Bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van rechtsverwerking zijn door de man niet gesteld; er is slechts gebleken van een stilzitten door de vrouw. Het Hof is op grond daarvan wel van oordeel dat het beroep op de redelijkheid en billijkheid gedeeltelijk dient te slagen. De bijzondere aard van de pensioenrechten als in casu aan de orde is, brengt mee dat de verrekeningsvordering kan worden gematigd. De vrouw heeft maar liefst 22 jaar gewacht met het aanschrijven van de man over de pensioenrechten; rechten waarvan zij volgens haar eigen stellingen wel wetenschap had. Weliswaar heeft de man vervolgens niet gereageerd op brieven van de vrouw, maar de vrouw heeft – na haar aankondiging bij brief van haar advocaat d.d. 15 augustus 2004 dat zij een procedure aanhangig zou maken – verder geen actie meer ondernomen. Zij heeft vervolgens wederom twaalf jaar gewacht alvorens zij de man heeft laat benaderen door een advocaat en (vervolg)stappen heeft ondernomen. Op dat moment was de man al twaalf jaar met pensioen. Het Hof is van oordeel dat de man onredelijk zou worden benadeeld indien hij de reeds door hem ontvangen pensioentermijnen met de vrouw zou moeten verrekenen. Het Hof oordeelt dat een verrekening dient plaats te vinden van de met ingang van 5 augustus 2016 ingegane pensioentermijnen.
Na berekening komt het Gerechtshof uit op een bedrag ad € 1.258,50 per jaar dat de vrouw toekomt. De door de vrouw gevorderde wettelijke rente wijst het Hof af, nu het een vordering gebaseerd op een tot de gemeenschap behorende bate betreft. Zolang de verdeling van een gemeenschappelijke bate nog niet is vastgesteld, is er in het kader van het “verdelingsrecht” geen sprake van verzuim.
De uitspraak is hier na te lezen.